Suriname 40 jaar onafhankelijk

Suriname 40 jaar onafhankelijk

In het kader van 40 jaar staatkundige onafhankelijkeid in Suriname is er op 16 oktober j.l. een lezing gehouden in theater Vaillant door dr. Lila Rambocus-Gobardhan.

Mevrouw Gobardhan-Rambocus is opleidingscoördinator Nederlands van de masteropleiding Nederlandse Taal een Cultuur van het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR)  van de Anton de Kom Universiteit van Suriname in  Paramaribo; was jarenlang verbonden aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) en is nu voorzitter van de Raad van Toezicht  van het IOL. Zij studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap in Utrecht en promoveerde in 2001 aan de Universiteit Leiden op een studie over de taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname. Haar broer, Soerindre Rambocus, was een van de vijftien mannen die op 8 december 1982 werd omgebracht in Fort Zeelandia (Paramaribo, Suriname) op verdenking van een tegencoup.

Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 verruilden vele Hindoestanen hun geboortegrond op zoek naar een beter bestaan in Nederland. Dit werd de tweede migratie voor deze cultuurgroep in relatief korte tijd. De migratie van Surinaamse Hindoestanen naar Nederland kun je onderverdelen in drie fasen: de individuele migratie (voorlopers van voor de Tweede Wereldoorlog), elitemigratie van studenten tussen 1946 en 1965, en de massamigratie, die rond 1975 haar hoogtepunt bereikt en zich doorzet tot 1980.

In haar lezing zal mevrouw Gobardhan-Rambocus ingaan op de politieke implicatie dat tot de massamigratie rond 1975 heeft geleid.

Dames en heren, goedenavond.
Het is mij een genoegen u deze lezing te presenteren. Ik zal ingaan op de politieke verwikkelingen die tot de massamigratie hebben geleid rond de onafhankelijkheid van Suriname. Daarvoor begin ik vroeger in de tijd dan u misschien zou verwachten.

Suriname bestaat al sinds de plantagekolonie gesticht werd door de Engelsman Francis Willoughby in 1651. In Europa was men echter al vanaf de 15e eeuw op zoek naar goud, en het goudland El Dorado, moest ergens in ons oerwoud liggen. Toen waren er nog geen grenzen, zoals wij die kennen, dus het goudland kon evengoed in Brazilië zijn, dat al 150 jaar vóór Suriname een Europese eigenaar had, Portugal. In 1667 werd Zeeland de eigenaar van Suriname, dat het later moest overdragen aan het bestuur der Nederlanden.

We weten al dat slaven het harde werk op de plantages deden en in 1873 namen onze voorouders, Hindostaanse immigranten, dat over en vanaf 1890 kwamen Javaanse immigranten erbij. Hindostaanse contractkoelies kwamen in opstand, omdat ze als werkvee behandeld werden. Vanaf het begin beklaagden ze zich over het zware werk, de lage lonen en de lange werkdagen. In het laatste kwart van de 19e en het begin van de 20e eeuw braken er grote opstanden uit op de plantages Zoelen en Zorg en Hoop (1883), en op Alliance en Mariënburg (1902). Het is ook belangrijk om te weten hoe naar Aziatische immigranten gekeken werd vóór 1950. Ik heb het vooral over immigranten, maar ook op de volkscreolen, de mensen van de pras’ o’so, nakomelingen van slaven, werd neergekeken, hoewel de Creoolse elite met hen wel enige verwantschap toonde. Lou Lichtveld, de bekende auteur Albert Helman, die leefde van 1903-1997, vertelde dat hij in zijn tienerjaren Chinese vriendinnetjes had, maar met Hindostanen “ging hij ‘naer ’s lants gelegenheyt’ niet om: die koeliekinderen stonken om niet te spreken van de ‘onbeschaafde Javaantjes’ “. Hindostanen en Javanen werden als vreemde indringers gezien voor wie men op zijn hoede moest zijn. Ze moesten ook alleen als arbeiders in de landbouw werken, en ze moesten geheel opgaan in de overige bevolking, dus als zelfstandige groepen verdwijnen. Daar wilde de Hindostaans-Javaanse Centrale Raad, opgericht in 1946, tegenin gaan. De voormannen van deze raad waren C.R. Biswamitre, A. Karamat Ali, S. Rambaran Mishre en Ming Doelman, allen benoemde statenleden.

Deze manier van kijken naar de Aziatische immigranten veranderde pas na de Tweede Wereldoorlog, toen Hindostanen in grotere getale naar school begonnen te gaan en ook hun dochters naar school begonnen te sturen. Voor Javaanse immigranten gebeurde dat na 1960. Het was zelfs zo dat sommige plantagedirecteuren de Javaanse contractarbeiders verboden hun kinderen naar school te sturen, stelde Ismaël, een onderzoeker uit Indonesië. In 1950 heeft hij vastgesteld, dat slechts een klein percentage Javanen kon lezen en niet meer dan 10 [van de 37.598] hadden een school voor ulo of mulo doorlopen. Eén Indonesiër was schoolhoofd, een enkele hulponderwijzer, één volgde de cursus van de Rechtsschool en de toenmalige Inspecteur voor het Onderwijs, Van Boheemen, meende, dat “er zich onder de Indonesische scholieren geen enkele leerling bevond, die de moeite van het voorthelpen waard zou zijn”. Zo werd in Suriname tegen Hindostanen en Javanen aangekeken. Het is niet echt lang geleden, misschien voor u een generatie, maar nu kunnen wij dat niet meer zeggen. De emancipatiekracht van de mens is enorm en van Surinamers is bijzonder.

Als we dus denken aan politieke ontwikkelingen met betrekking tot Suriname, dan beginnen deze als nazaten van tot slaaf gemaakten en nazaten van immigranten zich begonnen te roeren, omdat ze verbetering van hun leef- en woonomstandigheden wensten. We zijn dan al in het midden van de 20e eeuw als politieke partijen worden opgericht. Deze richting, het heft in eigen handen nemen, en zodoende mede zorgen voor het eigen welzijn, begon met de toespraak van koningin Wilhelmina, die in 1942 de koloniën, waaronder Suriname, autonomie beloofde. Vóór de eerste politieke partijen, hadden de Hindostaanse immigranten verenigingen, waarin ze al duidelijk hun stem lieten horen, omdat ze meenden dat ze een factor waren, waar rekening mee gehouden moest worden. Ze richtten de eerste politieke partijen op, zoals de Moeslim Partij (1946) en de Hindostaans-Javaanse Politieke Partij (1946), die in 1949 opgingen in de Verenigde Hindostaanse Partij (VHP). Ook de Javanen hadden in 1949 hun eigen partij, Kaum Tani Persatuan Indonesia (KTPI). Samen met de katholieke Progressieve Surinaamse Volkspartij (PSV, 1946) voerden deze Aziatische partijen strijd voor algemeen kiesrecht in 1949, zodat zij gekozen vertegenwoordigers in de Staten van Suriname zouden hebben.

In die tijd maakten de Creolen het grootste deel van de bevolking uit, ze hadden de beter betaalde banen, kenden de Nederlandse taal en cultuur goed en zagen zichzelf als de eigenlijke bewoners van Suriname en ze keken neer op de Hindostaanse en Javaanse immigranten. Deze waren immers vreemde indringers, omdat ze slavenwerk hadden gedaan en nog deden.

De Nationale Partij Suriname (NPS), ook opgericht in 1946, was de partij van deze Creolen, die lichtgekleurd waren. De NPS wilde geen algemeen kiesrecht, maar zij stond daar alleen in. Exponenten, zoals de eerder genoemde Lou Lichtveld (Albert Helman), meenden dat algemeen kiesrecht verlenen aan mensen die er niet mee zouden kunnen omgaan, hetzelfde was als een scheermes in de handen van een kind. Het statenlid Lim A Po, zelf van Chinese afkomst, een selfmade man, getrouwd met een Creoolse vrouw, die zich bij de Creoolse elite had genesteld, meende dat er te weinig alfabeten waren en dat men dergelijke mensen, Hindostanen en Javanen dus, die niet eens een politiek programma konden lezen, bezwaarlijk op voet van gelijkheid kon laten kiezen en het lid Smit tenslotte vond dat er een overgangsmaatregel moest komen, tot iedereen de leeskunst machtig zou zijn. Weet u, er waren toen nauwelijks politieke programma’s (Dit alles is te lezen in de Handelingen van de Staten van Suriname, 1947-1948.) Het ging er bij deze lichtgekleurde groep Creolen om, dat immigranten niet zouden mogen stemmen en ook de volkscreolen niet, want ook onder hen waren er weinig geletterden. Zelfs vrouwen zouden pas mogen stemmen als de mannen vonden dat zij daar rijp voor waren. Toch kwam het kiesrecht voor mannen en vrouwen, aangenomen in de Nederlandse tweede Kamer, maar Suriname, dat was dus dezelfde Creoolse elite, mocht van Nederland bepalen hoe het kiesstelsel eruit zou zien en dat werd een zeer ondemocratisch stelsel. Er waren 21 zetels te verdelen, 10 voor Paramaribo en 11 voor de overige districten en het principe was: the winner takes all. De uitslag van de eerste algemene verkiezingen van 1949 was dat de NPS met 32% van de stemmen 62% van de zetels kreeg (13) kreeg en de VHP en KTPI 8 zetels, terwijl zij 68% van de stemmen hadden.

Als gevolg van het algemeen kiesrecht kwamen de latere grote leiders van de Hindostanen en de volkscreolen, Pengel en Lachmon, in het parlement. Toch zou het tot 1955 duren eer zij nauwer met elkaar zouden samenwerken. Deze samenwerking werd door de Creoolse elite als een bedreiging van haar positie ervaren, wat in feite ook zo was. De NPS, toen nog de elitepartij, had in 1955 de verkiezing verloren, maar Lachmon zorgde ervoor dat Pengel in Saramacca werd gekozen en zodoende weer statenlid werd. Deze samenwerking heeft 12 jaar stand gehouden en deze leiders hebben samen twee regeringen gevormd en daarom sprak men over verbroederingspolitiek, maar in 1967 vormde Pengel, die minister-president werd, een regering met een splintergroep van de VHP, de Actiegroep, die slechts twee jaar het land regeerde. De verbroederingspolitiek bleek dus een wankele basis te hebben. Een grote onderwijsstaking in 1969 heeft tot gevolg dat premier Pengel zijn mandaat teruggeeft. Hij ging ervan uit dat gouverneur Ferrier hem opnieuw zou belasten met de formatie van een kabinet, omdat de NPS de meeste zetels had. Maar Ferrier besliste anders. Er kwam een zakenkabinet, vervolgens waren er verkiezingen en de VHP werd de grote winnaar. Lachmon heeft het dan voor het zeggen. De regering Sedney-lachmon stelde kort na het aantreden in 1969 de nationale vrije dagen Holi Phagwa en Idulfitre in, wat haar niet in dank werd afgenomen door een deel der Creolen. Wel was er instemming met 1 mei, Arbeidersdag, als nationale vrije dag. Nu zal ik het hebben over de loop van de onafhankelijkheid. Vanaf begin jaren ’60 gingen stemmen op Suriname onafhankelijk te verklaren. Lachmon heeft altijd gesteld dat hij voorstander is van onafhankelijkheid als de meerderheid van het Surinaamse volk dat wenst. Een referendum zou moeten komen, maar dat is niet gebeurd. De Partij Nationalistische Republiek (PNR) van Eddy Bruma, wenste dat Suriname al op 1 juli 1963 (bij de herdenking van 100 jaar afschaffing slavernij) onafhankelijk zou zijn, en zij was zelfs bereid dat af te dwingen.

Hoewel de NPS het sedert haar bestaan wel vaker over de onafhankelijkheid van Suriname heeft gehad, had ze dat nooit tot een issue gemaakt, totdat in 1973 de voorzitter van de NPS, Henck Arron, een regering vormde met de Partij Nationalistische Republiek (PNR) van Eddy Bruma. Op 15 februari 1974 maakte Arron bekend dat Suriname op geen later tijdstip dan ultimo 1975 onafhankelijk zou worden. Arrons wens was ingegeven door de nieuwe PvdA-regering van Den Uyl, die reeds in zijn regeerprogramma had opgenomen dat Nederland geen kolonies meer mocht hebben. Zo werd Suriname tegen wil en dank onafhankelijk. Arrons regering was geen weerspiegeling van de Surinaamse bevolking, in die zin dat er geen exponenten van de Hindostaanse bevolkingsgroep waren opgenomen en daarom waren Hindostanen bevreesd. Hun voorbeeld was Guyana, waar vooral na de onafhankelijkheid in 1966 een bepaalde vijandigheid tussen Creolen en Hindostanen heerste, waardoor schermutselingen ontstonden, die regelmatig uitmondden in relletjes, waarbij doden vielen, zoals in 1969. Dat was een schrikbeeld, ook omdat er toen in Suriname door de politieke ontwikkelingen een zekere animositeit bestond tussen Creolen en Hindostanen.

Vanaf de onderwijsstaking in 1969, die leidde tot de val van Pengel en zijn overlijden in 1970 en een steeds meer verslechterende sociaaleconomische situatie, waarin telkens weer stakingen ontwrichtend werkten, begonnen bewoners het land te verlaten. De regering Sedney-Lachmon was niet in staat goed beleid te voeren, wat ook gold voor de twee regeringen-Arron, die daarna volgden. Alle partijen spraken hun bezorgdheid uit over de groeiende trek naar Nederland, maar zij waren kennelijk niet in staat hun beleid te veranderen.

De uittocht, waarvan Suriname meer dan twintig jaar in de ban was, begon echter al in 1964. Volgens de volkstelling van 1971 hebben tussen 1964-1971 naar schatting 62.000 Surinamers het land hadden verlaten, van wie 57.000 naar Nederland waren vertrokken (Encyclopdie van Suriname, p. 498).

Nu weer terug naar de onafhankelijkheid. Niet alleen de VHP in de persoon van Lachmon, maar ook Salam Somohardjo, Albertine Liesdek-Clarke en Charles Lee Kong Fong van de NPS waren felle tegenstanders, die een eigen fractie vormden. Hierdoor had de coalitie van Arron een minderheid in het parlement en kon de wet op de onafhankelijkheid niet aangenomen worden. Een groot probleem dus. Het VHP-statenlid Hindori verbrak de impasse door voor deze wet te stemmen. Toch vertrokken Hindostanen en Javanen in grote getale naar Nederland, maar ook Creolen verlieten het land, wel in mindere mate.

Er waren inderdaad etnische spanningen tussen Creolen en Hindostanen, die tot protestacties en brandstichting leidden. Oppositie en coalitie stonden als kemphanen tegenover elkaar en dat had zijn weerslag op de bevolking. Het Hindostaanse deel voelde zich bedreigd, ook omdat in Guyana de Creoolse president Burnham een dusdanig beleid voerde dat Hindostanen zich in een hoek gedreven voelden en emigreerden naar de VS en Canada. Door de slechter wordende sociaaleconomische situatie in Suriname voelde een groot deel van de Hindostanen zich niet veilig in het land. Ze vreesden ook voor Creoolse overheersing, omdat de PNR, de grote voorstander van de onafhankelijkheid, volgens Hindostanen, een grote invloed had in het regeerbeleid. Hieraan werden ook gekoppeld de beelden uit Uganda van 1972, waar dictator Idi Amin de Hindostanen uit zijn land verdreven had en waar ze al hun bezittingen moesten achterlaten. Al deze beelden bleven dankzij de televisie op hun netvlies hangen.

Aangemoedigd door hun leiders verlieten grote groepen Hindostanen en Javanen en een kleinere groep Creolen Suriname. Cijfers van Zielhuis (Migratie uit Suriname, 1972) geven als emigratiepercentage 53% Creolen en 27% Hindostanen, maar het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) heeft uit de volkstelling van 1972 andere cijfers: 31% Creolen en 37% Hindostanen. Volgens het ABS, de publicatie Suriname in cijfers, uit 1972, was in de periode 1963 -1971 sprake van het begin van de grote trek naar Nederland. Nederland had in de jaren ’50 de schade van de Tweede Wereldoorlog hersteld, was volop in ontwikkeling en had daar menskracht voor nodig, vandaar dat er toen geen weerstand was tegen de komst van Surinamers. Integendeel, ze werden aangemoedigd. Het was de periode, waarin meisjes gezocht werden om opgeleid te worden tot verpleegster in Nederland en toen begon ook de vraag naar onderwijzers. Na 1973 vertrokken vooral laagopgeleide personen naar Nederland, meestal rechtstreeks vanuit de districten. Voor zover bekend, was C.R. Biswamitre de eerste Hindostaan, die voor studie naar Nederland vertrok in 1929. Hij studeerde voor de middelbare akte, MO Staatsinrichting, en na terugkeer in Suriname werd hij in 1930 de eerste gekozen Hindostaan in de Koloniale Staten. Na de Tweede Wereldoorlog begonnen Hindostaanse mannen voor studie naar Nederland te gaan en in de jaren zestig werd het normaler dat mannen en in mindere mate vrouwen met een Ams of Kweekschooldiploma of anderszins voor verdere studie naar Nederland vertrokken. In 1963 was het geschatte aantal personen van Hindostaanse afkomst voor studie in Nederland 660 (W.E. Juglal: Gedenkboek Manan). Gedenkboek 90 jaar Hind. Immigratie.

Foto Onafhankelijkheid Suriname
Onafhankelijkheidsverklaring in Paramaribo, 25 november 1975 V.l.n.r Premier Arron, Kroonprinses Beatrix en president Ferrier. Bron: Beeldbank, Nationaal Archief

De periode 1963-1971 (ABS) is er een van een dramatische vorm van massale emigratie, voornamelijk naar Nederland. Het waren aanvankelijk jongeren, die de wijk naar Nederland namen. Als motieven gaven ze onder meer op studie, werkloosheid, daardoor geen bestaanszekerheid, lage lonen, geen of te weinig sociale voorzieningen en de politiek van regelarij, vriendjespolitiek én de onrustbarende snelle stijging van de kosten van levensonderhoud. Er zou hier al gesproken kunnen worden van het begin van een volksverhuizing, zeker als in aanmerking genomen wordt dat in de aanloop naar de onafhankelijkheid dagelijks volle vliegtuigen uit Suriname vertrokken. Cijfers uit verschillende bronnen geven het volgende aan over de verhuizingen na 1971. In 1972 vertrokken 6000 personen (Zielhuis); in 1974 en 1975 emigreerden 60.000 Surinamers naar Nederland, waarvan het grootste deel Hindostaan was. Ultimo 1976 woonden ruim 130.000 Surinamers in Nederland; ruim de helft daarvan was Hindostaans. Ruim 75.000 woonde in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht en 55.000 in de rest van Nederland. Omdat de regering-Arron die in 1977 aantrad niet daadkrachtig was en in zekere zin overmoedig -ook een regering, waarin het grootste deel van de Hindostanen niet vertegenwoordigd was-, vertrokken opnieuw veel Hindostanen naar Nederland, in 1979 zelfs 2000 personen per maand. Volgens schattingen vertrokken tussen 1975 en 1979 ongeveer 70.000 personen, waaronder 40.000 Hindostanen. Na de staatsgreep van 25 februari 1980 vertrokken opnieuw veel Surinamers uit angst naar Nederland, omdat ze meenden dat het in een militair regiem niet goed zou kunnen gaan met het land. Een andere zeer belangrijke reden was dat vanaf 1 september 1980 voor Nederland een visum verplicht was. Iedereen die Nederland nog wilde binnenkomen, moest er dus voor 1 september 1980 zijn.

In de periode van het militair bestuur was er ook sprake van een soepele toelating van immigranten in Nederland. Surinamers bleven vertrekken. Na de Decembermoorden in 1982 gingen opnieuw veel Surinamers naar Nederland. Na de decembermoorden in 1982 was de Nederlandse overheid in zekere zin ook soepel met betrekking tot de toelating. Velen konden binnenkomen vanwege humanitaire redenen, zoals gezinshereniging, e.d. Ook tijdens en na de Binnenlandse oorlog, die in 1986 begon, vertrokken Surinamers naar Nederland, onder wie veel Boslandcreolen. Exacte cijfers hierover zijn niet bekend.

De grote stroom van Surinamers rond de onafhankelijkheid, vooral van Hindostanen en Javanen, is mede gevoed is door de maatregelen van de Nederlandse overheid, die opvangcentra inrichtte, zoals die in Soest en Putten, en al op Schiphol was een loket waar de mensen uit Suriname zich konden melden. Deze berichten verspreidden zich zo snel via familie en kennissen, dat vooral vanuit de districten de mensen hun bezittingen te koop zetten om financiën voor hun reis te kunnen hebben. De opvang zou er immers voor zorgen dat zij hulp van de overheid zouden krijgen om een nieuw bestaan op te bouwen. Toen zich daarna ook nog het gerucht verspreidde -dat dus waar bleek te zijn- dat Nederland de poorten wilde sluiten, probeerden de mensen vóór de datum van de onafhankelijkheid weg te zijn. De Surinaamse regering kon echter afdwingen dat het niet gebeurde. Er zou nog vijf jaar vrij personenverkeer mogelijk zijn.

Na 1975 werd de algehele situatie in Suriname slechter, omdat politieke spanningen in het land ervoor zorgden dat er nauwelijks geregeerd werd. Premier Arron, die, om het proces rond de onafhankelijkheid goed te laten verlopen, Lachmon, de leider van de oppositie, direct na de onafhankelijkheid nieuwe verkiezingen had toegezegd, kwam zijn belofte niet na. Ook problemen in de krijgsmacht die maar geen oplossing kenden, zorgden ervoor dat onderofficieren een succesvolle greep naar de macht deden.

Voor het grootste deel van de Surinamers, ook zij, die toen vanuit het platteland naar Nederland vertrokken rond de onafhankelijkheid, is het goed geweest. Ouders konden hun kinderen de scholing verschaffen, die anders misschien niet voor ze weggelegd zou zijn. Ook in materieel en geestelijk opzicht is het goed geweest. Hindostanen konden zich met behoud van de eigen waarden en soms met enige aanpassingen goed staande houden en werden een geïntegreerd deel van hun nieuwe samenleving. Daarom wil ik tot slot teruggaan naar de tijd toen Hindostanen, net uit de contracttijd, vanaf 1927 massaal kozen voor het Nederlanderschap in Suriname. In 1929 kwamen twee vooraanstaande personen uit Brits-Indië, om te zien hoe het met deze Hindostanen ging. Als afgezant van Mahatma Gandhi, kwam een belangrijke vriend en volgeling, dominee Andrews, naar Suriname. Hij bracht de boodschap van de Mahatma dat Hindostanen waardige burgers moesten zijn in het land waarin ze woonden. Mehta Jaimini, ook een prediker, van de Arya Samaj, was feller in zijn bewoordingen. Aan de gouverneur vroeg hij tijdens een lezing Hindostanen niet te vervreemden van hun cultuur en vooral niet van hun taal, want wanneer zij hun taal kennen, dan kunnen zij hun geschriften lezen.”[…] Aan de Hindostanen zelf gaf hij verder mee: “Er dient terdege rekening gehouden te worden met uwe belangen. Evenals één poot niet gemist kan worden aan de tafel, evenzo zijt gij ook noodig voor deze samenleving. Eendrachtig moet gij pal staan voor uwe belangen en uw succes is verzekerd.”

Jaimini riep Hindostanen ook op tot verdraagzaamheid. Dat was dus 1929. Concluderend wens ik te stellen dat Hindostanen vanaf hun komst in Suriname naar de bovengenoemde waarden hebben geleefd. Toen ze massaal naar Nederland vertrokken, zijn ook deze waarden de sleutel geweest en zijn het nog, voor hun maatschappelijk succes en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving.

Dr. Lila Gobardhan-Rambocus

Meer lezen over Surinaamse geschiedenis van deze auteur: Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975. Uitgeverij Walburg Pers, Zutphen, 2001. (e-mail: sabitrie@sraga.com)

(31)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.