Categoriearchief: Gendervraagstukken

Deze categorie bevat artikelen die betrekking hebben op gendervraagstukken

Het Verdrag van Istanbul

Een paar dagen geleden had ik een gesprek met een wethouder in Den Haag over een project over geweld tegen vrouwen, die ik vanuit mijn stichting (stichting Nederland Suriname Antillen Gendervraagstukken) initieer. Bij dit gesprek heb ik ook het Verdrag van Istanbul besproken. Het Verdrag van Istanbul is een verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 door de Raad van Europa in Istanbul is getekend. Vandaar de naam ‘Verdrag van Istanbul’. Nederland heeft het Verdrag van Istanbul in november 2016 geratificeerd. Omdat Nederland de verantwoordelijkheden voor de aanpak van huiselijk geweld heeft neergelegd bij de gemeenten, moeten vooral zij met het verdrag aan de slag. Echter, dit verdrag wordt nog onvoldoende geïmplementeerd en het lijkt wel alsof de gemeenten nog niet precies weten wat ze met het verdrag aan moeten. Het Verdrag van Istanbul is naar mijn mening van belang om ook te kijken naar het genderneutraalbeleid in Nederland dat vaak nadelig uitpakt voor vrouwen.

De Nederlandse grondwet is ondergeschikt aan internationale verdragen. In principe gaat internationaal recht – recht dat is vastgelegd in verdragen en in besluiten van internationale organisaties – altijd boven nationaal recht. Voor de gewone burger is er daarbij weinig aan de hand. Internationaal recht richt zich immers op de verhouding tussen staten, nationaal recht op de verhouding tussen staat en burger. Wanneer een internationaal verdrag of besluit toch de burger wil bereiken, zal dat in principe dus steeds in nationale wetten of regels moeten worden ‘vertaald’. Dit is nou precies wat er nog niet is gebeurd met het Verdrag van Istanbul.

Een voorbeeld uit de rechtspraktijk Deze casus gaat over een Hindostaanse vrouw die een relatie heeft gehad met een Nederlandse man. Tijdens de relatie wordt zij zwanger van deze man. Deze man en zijn ouders willen dat de vrouw het kind aborteert. De vrouw wilt dit op religieuze gronden niet. De vader van de man brengt deze vrouw desondanks onder valse voorwendselen naar een abortuskliniek. Als de vrouw erachter komt dat zij in een abortuskliniek staat, weigert ze pertinent zich te laten onderzoeken voor een abortus. Ze verbreekt de relatie met de man, maar omdat de man een sleutel van het huis heeft, komt hij af en toe nog langs. Wanneer het kind geboren wordt, wil de man een omgangsregeling met het kind. De vrouw staat dit mondjesmaat toe. De vrouw is na de bevalling ernstig ziek en verzwakt en kan het huishouden niet verrichten. Wanneer de man het kind na de omgangsregeling thuis komt terugbrengen, vergrijpt hij zich aan de vrouw. De vrouw stribbelt tegen, maar is te verzwakt om weerstand te kunnen bieden. Na een paar maanden blijkt ze zwanger te zijn van haar tweede kind. Inmiddels is de ruzie tussen de man en vrouw alleen nog meer opgelopen. Het tweede kind wordt geboren. De man ontkent dat het zijn kind is. De vrouw is inmiddels wat aan de betere hand en verzet zich hevig tegen een omgangsregeling van de man met het eerste kind. De ouders van de man schakelen jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming in die haar dwingen mee te werken aan een omgangsregeling. Hierover wordt een rechtszaak gevoerd. De Rechtbank legt de vrouw een omgangsregeling op. De vrouw is inmiddels flink getraumatiseerd door de hele situatie en de verkrachting. Over de verkrachting durft zij met niemand te praten en zeker niet met haar familie, omdat ze bang is om verstoten te worden.

Tijdens de omgang loopt de situatie uit de hand. De vrouw neemt haar kinderen mee, zonder dat de man contact heeft gehad met zijn kind. Hij meld dit bij jeugdzorg. Vervolgens entameert jeugdzorg een procedure om beide kinderen uit huis te plaatsen op grond van het feit dat de ontwikkeling van de kinderen in gevaar is, want mevrouw zou niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen en haar woning was behoorlijk vervuild. Hoewel de vrouw en de kinderen ondertussen in België staan ingeschreven vanwege de aanstaande verhuizing van de vrouw naar België, acht de Rechtbank zich bevoegd om een uitspraak over de uithuisplaatsing te doen. De kinderen worden voor een jaar uithuisgeplaatst. Hierna begint de echte strijd van de vrouw. Natuurlijk wil zij haar kinderen terug. Maar jeugdzorg spreekt het vermoeden uit dat de vrouw een psychische stoornis zou hebben en dat zij zich maar door een psychiater moet laten onderzoeken en dat pas daarna naar de terugkeer van de kinderen zal worden gekeken. Inmiddels heeft de man op advies van jeugdzorg een gezagsprocedure gestart om het gezag te verkrijgen over het eerste kind. Het eerste kind had hij eerder al erkend. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is om het gezag aan de man over het eerste kind toe te kennen. De Rechtbank neemt dit advies over. Ook het Gerechtshof vindt het in het belang van het kind dat de man mede het gezag krijgt over zijn eerste kind. De vrouw blijft de strijd voeren volgens jeugdzorg en daarom is het terugplaatsen van de kinderen niet aan de orde.

De vrouw heeft na twee jaar aangifte gedaan over de verkrachting, maar krijgt ook na een klachtprocedure bij het gerechtshof nul op het rekest, wegens gebrek aan bewijs. Om te bewijzen dat het kind van de man is, heeft zij bij de Rechtbank een procedure gevoerd om het vaderschap te laten vaststellen. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat het tweede kind ook van de man is, terwijl hij steeds had ontkent. De vrouw had de hoop met deze procedure aan te tonen dat de verkrachting had plaatsgehad. Maar het enkele feit dat een kind is geboren is geen bewijs van verkrachting. Deze exercitie heeft voor haar tot niets geleid. Inmiddels zijn de kinderen drie al jaar uithuisgeplaatst en is volgens jeugdzorg een definitieve uithuisplaatsing aan de orde. Bovendien heeft jeugdzorg de procedure aanhangig gemaakt om bij de vrouw het gezag over beide kinderen te ontnemen. Het voornemen is om het eerste kind bij de vader te plaatsen. Ja, bij de man die een abortus wilde van dit zelfde kind. Van het tweede kind weet jeugdzorg niet zo goed wat ze hiermee aan moeten. Dit kind heeft geen relatie met de man en bovendien is ze erkend door een Belgische man die tevens het gezag over haar heeft.

Deze casus illustreert dat de destructieve ouder, de vader in dit geval, volledig wordt gefaciliteerd en dat de destructieve relatie door jeugdzorg wordt gecontinueerd tussen de man en de vrouw en dat de kinderen hiervan de dupe worden. De kinderen vervreemden van de moeder, want ze ziet de kinderen maar een paar uur per maand. Dit zal in de nabije toekomst niet veranderen. Afgelopen jaren heeft moeder geen hulp aangeboden gekregen voor traumaverwerking. In het belang van het eerste kind moest er volgens jeugdbescherming en de Rechtbank een omgangsregeling komen. De vrouw heeft nimmer gehoor gekregen voor het feit dat ze verkracht en mishandeld was door de man. Immers, er heeft geen vervolging plaatsgevonden, dus is de man onschuldig. De vrouw heeft overigens in dit hele verloop van de zaak de indruk dat jeugdzorg sterk op de hand van de man is, omdat zij allochtoon is. Zij meent dat er sprake is van discriminatie.

Het gevolg van genderneutraal beleid is dat er geen aandacht is geweest voor hetgeen de vrouw heeft meegemaakt. Het enige wat men belangrijk vond, was dat de omgang plaatshad en omdat de vrouw strijd is blijven voeren vanwege de oneerlijke behandeling en de duur van de uithuisplaatsing, vindt jeugdzorg dat terugplaatsing van de kinderen niet meer mogelijk is. Volgens jeugdzorg houdt de vrouw zich niet aan de aanwijzingen van de jeugdbeschermer. Voor de vrouw is niet duidelijk aan welke aanwijzingen zij zich niet zou houden. Een bijkomend probleem is natuurlijk dat de vrouw in België woont. Op de achtergrond zal dan ook de gedachte meespelen dat de man zijn kind misschien niet meer zou zien bij een eventuele terugplaatsing.

De Nederlandste tekst van het verdrag vindt je op de volgende link: http://bit.ly/2XpgSlJ

(91)

SEKSUEEL GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG DOOR BEHANDELAAR

Een paar weken geleden ging ik op zoek naar een ooglaserkliniek. Tegenwoordig zijn er zoveel ooglaserklinieken in Nederland, dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Je wilt natuurlijk niet het risico nemen dat het mis gaat bij de laserbehandeling. De vraag is dan waar je op moet letten. De prijs is in een dergelijk geval niet per se leidend. De kwaliteit is belangrijk. Maar hoe meet je de kwaliteit? Reviews kunnen een uitkomst zijn, omdat mensen vóór jou al onderzoek hebben gepleegd en ervaring hebben opgedaan met de dienstverlening van een ooglaserkliniek. Als het om je lijf en leden gaat, moet je natuurlijk altijd onderzoeken of je te maken hebt met een behandelaar die een BIG-registratie heeft. Anders kun je niet klagen bij het tuchtcollege over een verkeerde behandeling of een gedraging van een behandelaar.

Mijn cliënte S. leed aan burn-out klachten en dacht dat ze er goed aan deed om dit te laten behandelen door een Hindoestaanse ‘psycholoog’ uit Den Haag, die zij al heel lang persoonlijk kent en waar zij vertrouwen in had. Helaas liep de behandeling niet zoals zij zich dit had voorgesteld. Tijdens een behandelsessie randde hij haar aan. Hij knuffelde haar en trok haar dicht tegen zich aan. Hij streelde haar rug en, bijna haar billen en hij stond zo dicht tegen haar aan dat ze voelde dat zijn penis hard was. Bovendien had de ‘psycholoog’ langere tijd WhatsAppcontact met haar, waarin hij seksueel getinte berichten aan haar zond en oneerbare voorstellen had gedaan. Inmiddels was S. emotioneel afhankelijk geworden van deze ‘psycholoog’, omdat hij altijd naar haar luisterde en geen enkele vorm van kritiek gaf. S. voelde zich hierdoor gehoord en werd verliefd op hem. Dit vertelde ze aan hem. Zijn enige reactie was: “Gefeliciteerd, je bent een stukje bij je zelf gekomen. Enjoy life”.

S. ging steeds meer om aandacht vragen van de ‘psycholoog’, maar kreeg dit niet. Toen vertelde S. aan de ‘psycholoog’ dat ze misschien haar gevoelens voor hem moest veranderen. Het enige wat hij tegen haar zei: “Het is niet nodig, want liefde is de lijm die mensen bij elkaar houdt”. S. had al enige tijd het gevoel dat haar verliefdheid in deze setting niet goed was, maar wist niet wat ze er mee aan moest. De ‘psycholoog’ beantwoordde haar verliefdheid niet, maar maakte haar emotioneel afhankelijk van hem. S. werd zo ongelukkig dat ze suïcidale gedachten kreeg. Toen de ‘psycholoog’ aanbood om seks met haar te hebben, is ze heel boos geworden en heeft toen alle contact verbroken. Ze voelde dat dit in een behandelrelatie niet juist was. Ze voelde zich niet alleen psychisch misbruikt, maar ook lichamelijk, hoewel zij niet daadwerkelijk seks had gehad met haar ‘psycholoog’.

Na enig wikken en wegen heeft S. contact met mij opgenomen. Ik heb S. geadviseerd om een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege. Maar toen bleek dat dit niet mogelijk was, omdat het hier niet ging om een BIG-geregistreerde psycholoog. Toen was de enige optie een klacht indienen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De gezondheidsinspectie kan geen tuchtrechtelijke maatregel uitspreken, maar kan een behandelaar wel op zijn of haar gedrag aanspreken. In dit geval heeft de gezondheidsinspectie de klacht serieus onderzocht, te meer omdat er ook WhatsAppberichten waren waar het laakbaar gedrag van de ‘psycholoog’ uit bleek.

De gezondheidsinspectie concludeerde in haar rapport dat er sprake was van een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de zorg een ernstige bedreiging kan vormen. Er was namelijk van alles mis in de praktijk van de ‘psycholoog’. Er was sprake geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De ‘psycholoog’ had S. moeten verwijzen naar een andere collega, toen zij hem vertelde dat ze verliefd op hem was geworden. Door dit niet te doen had hij onprofessioneel gehandeld. Ook bleek de ‘psycholoog’ onvoldoende geëquipeerd te zijn voor de specialistische behandeling die S. nodig had gehad, terwijl hij deze specialistische zorg wel gedeclareerd heeft bij de zorgverzekeraar. De ‘psycholoog’ heeft zowel beroeps- als kwaliteitsnormen overtreden, omdat hij hier niet van op de hoogte was. De ‘psycholoog’ is bijvoorbeeld niet aangesloten bij het ‘Nederlands Instituut voor Psychologen’ (NIP). Dit betekent dat hij niet aan de Nederlandse standaard voor psychologen voldoet.

Een aangifte bij de politie liep op niets uit, omdat in het strafrecht ontuchtige handelingen alleen strafbaar zijn als er geweld of bedreiging aan te pas is gekomen. In dit geval was hier geen sprake van. Er was weliswaar sprake van een afhankelijkheidsrelatie, maar er had geen seksuele penetratie plaatsgevonden.

(233)

Alle vrouwen in de entertainment-business verenigt u!

Vandaag ga ik het hebben over vrouwen in de entertainmentbusiness. De reden hiervan is dat mij vaak wordt verteld hoe moeilijk het is om als vrouw in de entertainmentwereld voeten aan de grond te krijgen, omdat het zo’n een mannenbolwerk is. Het doet er niet toe uit welk nest je komt, je krijgt nooit de volwaardige erkenning als vrouwelijke artiest. Hoe komt dat?

Een analyse van vrouwen in de Surinaams-Hindostaanse entertainment-business leert ons dat vrouwen op festivals niet zo vaak gevraagd worden als mannen. En als ze gevraagd worden, krijgen ze minder betaald, of worden ze zelfs niet betaald. Terwijl sommige festivals genoeg subsidies ontvangen. Het is daarom tijd om aandacht te besteden aan deze genderongelijkheid.

Laten we even een uitstapje maken naar de Bollywood industrie. Hier zie je dat de vrouw niet veel meer dan een bijrol heeft. India is een patriarchale (mannelijke) en traditionele samenleving, waar de rol van de vrouw en de man grotendeels nog strikt gescheiden is. Ik zeg hiermee niet dat er geen modernisering in India gaande is. Maar als het gaat om gendergelijkheid is de ontwikkeling traag.

Laten we de modernisering van de Bollywood-industrie niet verwarren met verwesterlijking van videoclips, waarin je getrakteerd wordt op halfnaakte vrouwen van wie de borsten half uit hun BH’s hangen met schuddende billen op je scherm dansen. Dit is niet wat ik bedoel met modernisering. Dit is seksisme op hoog niveau, omdat hier sprake is van exploitatie van het vrouwenlichaam. Het gaat mij erom dat vrouwen vaker een belangrijke rol zouden moeten krijgen in een film. De films zijn vaak gericht op mannelijke helden die hun heldendaden tonen en altijd krijgen wat ze willen, dus ook de vrouw op wie ze hun oog hebben laten vallen. Het gaat dan altijd om een mooie, slanke, sexy én blank uitziende vrouw. Dit is het Westerse beeld dat geïntegreerd is in de Bollywood-industrie. Het beeld dat Bollywood ons gegeven heeft van de vrouw, zit ook in het Surinaams-Hindostaanse DNA. Dat beeld van de vrouw komt wereldwijd terug in alle nationale Miss-verkiezingen die gelieerd zijn aan de Internationale Indiase Miss-verkiezingen.

De #MeToo-beweging heeft inmiddels ook zijn weg gevonden in de Bollywood-industrie, maar er komt maar mondjesmaat verandering. Ook in de Surinaams-Hindostaanse entertainment-scene heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag plaats, maar de dames houden hun kaken stijf op elkaar. Eén woord hierover, betekent schande voor de dame in kwestie en hun familie en het einde van hun carrière. Kortom, hier wordt het slachtoffer twee keer geslachtofferd en de #MeToo-beweging is slechts nog maar een stip aan de horizon van de Hindostaanse gemeenschap sinds het feuilleton van de VAHON school die we afgelopen weken hebben kunnen volgen. Seksueel overschrijdend gedrag vindt in ieder segment van de entertainmentwereld plaats waar de vrouw probeert voeten aan de grond te krijgen op het podium. In dit kader komt dit liedje bij mij op die jullie ongetwijfeld ook kennen:

“Ghungaroo Ki Tarah, Bajta Hi Raha Hoon Main Kabhi Is Pag Men, Kabhi Us Pag Men Bndhtaa Hi Raha Hoon Main Kabhi Toot Gayaa, Kabhi Todaa Gayaa Sau Baar Mujhe Fir Jodaa Gayaa Yooan Hi Loot Loot Ke, Aur Mit Mit Ke Banataa Hi Rahaa Hoon Main Main Karataa Rahaa, Auro Kee KaHi Meree Baat Mere, Dil Hi Men RaHi KabHi Mndir Men, KabHi Mahafil Men Sajataa Hi Rahaa Hoon Main Apanon Men Rahe, Yaa Gairon Men Ghungaroo Kee Jagah Hain Pairo Men Fir Kaisaa Gilaa, Jag Se Jo Milaa Sahataa Hi Rahaa Hoon Main” .

Het komt er op neer dat je enkelbellen aan je enkels horen en niet verder komen. Emancipatie is nog ver weg binnen de Hindoestaanse entertainment business. De meeste vrouwelijke artiesten zullen gewoon doen wat ze gevraagd worden, uit vrees dat ze anders niet verder op het podium komen.

Vrouwen in de entertainment-business zouden zich wat mij betreft, moeten verenigen om zelf te bedenken hoe ze hun positie zouden kunnen versterken als artiest. Ook zouden ze een veilig platform moeten bieden aan vrouwen die te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Onze vrouwelijke artiesten en Missen moeten zelf aan de slag en niet wachten tot ze een kans krijgen van de mannen die de entertainmentwereld domineren. Ik begrijp dat macht over het podium en geld hand in hand gaan en dat mannen daar een groot aandeel in hebben. Maar vrouwen zullen hun aandeel in de macht over het podium moeten opeisen, door een onafhankelijke fonds op te richten en actief geld te werven om ook voor nieuwe opkomende artiesten een podium te creëren.

(28)

Het verhaal van Tara Oedayraj Singh Varma (9) De ontwikkeling van een bipolaire stoornis

Tara omschrijft hoe zij een draaideur patiënt werd. Haar ziekte is immers chronisch. Het acceptatieproces is moeilijk voor psychiatrische patiënten, maar wel essentieel voor het werken aan herstel. Tara Acceptatie is namelijk werken aan je herstel van binnenuit.

Tara: ”Wat mij ook bijzonder getroffen heeft van het Lucas Andreas Ziekenhuis, thans OLVG West, is dat de chef de clinique toen ik daar lag een ingezonden stuk naar de krant heeft gestuurd. Ik geloof dat dit ‘Het Parool’ was. Het was in de tijd dat er zoveel over mij werd geschreven. Ik weet de helft of meer van het geschrijf niet meer, het drong niet tot mij door, en ook allerlei zogenaamde deskundigen op de TV en in kranten die van alles over mij riepen, zoals psychiaters die ik nooit gezien had en niet kende. Ze riepen van alles. Zo kwamen ze natuurlijk mooi in de krant. De chef de clinique van de PAAZ van het Lucas Andreas Ziekenhuis schreef dat als mensen mij niet hadden behandeld of als patiënt gezien hadden, zij ook niet konden zeggen en oordelen wat er met mij aan de hand was en welk ziektebeeld ik had. Dat heeft me toen zo ontzettend gesteund. Ik was zo dankbaar voor dat lichtje in het duisternis. De toenmalige minister van Volksgezondheid heeft hem gelijk gegeven en zei toen dat dit niet kon en ongepast was. Na de eerste bijzonder lange opname mocht ik weg. Ik bleef wel in dagbehandeling, maar ik redde het niet s’-avonds alleen thuis. Opeens merkte dat ik nu 7-hoog in een flat om 2.00 of 3.00 uur in de ochtend op het balkon stond en weer naar beneden ging springen. En opeens kreeg ik weer de geest en belde ik in grote paniek de PAAZ. Er kwam gelijk iemand of meerdere mensen, ik weet het niet meer, en ben weer opgenomen, weer lang, maar korter dan de eerste keer. Ik stond op de crisis lijst, ik mocht altijd bellen. Dat had ik onthouden. Ik ben op de PAAZ zeer goed behandeld, ze gaan goed met hun patiënten om. Ik heb veel respect voor ze. Ze hebben liefde voor hun werk, want ze gaan erg goed met ons om. De zorg was goed en ze wilden ook dat we het goed hadden. Ik doe er alles aan om nooit meer opgenomen te worden, maar het was geen nare tijd, ook al zat ik op een gesloten afdeling. Maar het was er goed, veilig en geborgen. Eén keer heeft een andere patiënt de pers gebeld dat ik daar zat. Maar die patiënt heeft later zijn verontschuldigen aangeboden. We waren tenslotte allemaal ziek. Er lagen daar allerlei mensen samen met mij, bekende Surinaamse mensen, bekende mensen uit de journalistiek, hoge ambtenaren, migranten van het eerste uur uit de actiewereld, en allerlei anderen, onder wie ook veel jongeren. Triest allemaal, maar we hadden de zorg en de hulp nodig. Ik heb daar veel geleerd, van helemaal van de wereld zijn, niet weten wie of wat je bent, tot langzaam doordringen waar je zat, tot ontkenning dat ik een psychische aandoening had, tot berusting en met pijn en moeite acceptatie, en dan ook nog het leren omgaan met de acceptatie. Daarna moesten ze me loslaten, dat deed pijn, want het was een thuis, een veilige haven. Maar ze zeiden, dat ik in behandeling bleef met medicijnen en medicijncontrole, maar dat de huisarts en de psycholoog met mij verder moesten werken. Ze hebben heel hard hun best voor me gedaan, maar ik moest het accepteren dat het chronisch was, dat die niet meer over zou gaan en dat dit het was. Met een psycholoog kon ik leren een ‘menswaardig’ bestaan op te bouwen. Ik ben de PAAZ van het Lucas Andreas Ziekenhuis heel veel dank schuldig, ze hebben mij van zombie tot weer een levend wezen gemaakt”.

(33)

Het verhaal van Tara Oedayraj Singh Varma (8) De ontwikkeling van een bipolaire stoornis

Mensen die in een crisissituatie worden opgenomen komen op de afdeling acute psychiatrie. Hoe verliep de behandeling op de PAAZ van het Lucas Andreas Ziekenhuis, thans OLVG West?

Tara: “Ik ben dankbaar dat ik op een hele kleine PAAZ terecht ben gekomen. Ik weet zeker dat ik het nooit gered zou hebben in zo een grote PAAZ bij de grote ziekenhuizen. Bij de PAAZ van het Lucas was het klein veilig en de behandeling was erg goed. Er was altijd tijd voor patiënten en er waren veel 1 op 1 gesprekken. Er was een prachtige tuin waar wij in de zomer mochten planten en zitten in de tuin. Het was een gesloten binnen tuin, waar we veilig waren. Bij mij was het gevoel van veilig zijn heel erg belangrijk. De eerste opname was langdurig. De tweede opname ook. De derde en vierde keer waren korte opnamen, daarna ben ik drie keer, denk ik, alleen opgenomen voor dagbehandelingen. Ik sliep dan thuis, maar moest elke dag van 9.00 tot 17.00 uur op de PAAZ zijn voor langere of korte tijd. Mijn eerste opname heb ik de eerste tijd niet bewust meegemaakt. Ik zat volgens mij steeds alleen op mijn kamer, terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling was, maar ik geloof dat ze het een poosje toelieten. Ik was toch niet bij, was er wel en was er niet. Kreeg wel medicijnen en mijn psychiater kwam elke dag praten en de verpleegkundigen kwamen ook steeds langs. Op een gegeven moment, begon ik me bewust te worden van mijn omgeving en moest ik elke dag mijn kamer uit. Je kamer was om te slapen. Er was een grote discipline en die was erg goed, vind ik. Je moest je eigen bed opmaken, ook verschonen, je was doen, er waren wasmachines. De kamer werd wel elke dag schoongemaakt door de schoonmaakdienst. We moesten zelf de tafel dekken en we moesten zelf afruimen en de pannen, borden en bestek afspoelen, voordat ze naar de wasserij gingen. Elke ochtend was er eerst een groepsgesprek, die waren zwaar. Elke dag moesten we verplicht sporten in een grote sportzaal. Elke dag werd er een verpleegkundige ingedeeld op 2 of 3 mensen, en er was therapie door dingen te doen, een soort handenarbeid. Er waren maar een paar mensen die mij kwamen opzoeken, mensen die mij nooit in de steek hadden gelaten. Het was een gesloten afdeling, je kon er niet van af. Wat ik wel vervelend vond en dat vind ik nog steeds als je in een ziekenhuis ligt, is dat geprik de hele tijd, altijd maar bloedprikken. Ik kon ‘s nachts niet slapen, ging weer ronddolen, maar je mocht niet op de gang rondlopen, en steeds in kringen lopen in je kamer was ook lastig. Ik ging dan vaak op de koude vloer op mijn blote voeten in een donker hoekje zitten. Er kwam altijd een verpleegkundige praten en warme melk brengen, dan ging ik weer in bed liggen en bleef de verpleegkundige praten tot ik in slaap viel. Dat gaf mij een goed, veilig en beschermd gevoel. Ik kreeg veel medicijnen, maar ze werkten niet echt, maar ja, er moest gezocht worden naar medicijnen die wel voor mij werkten. Ik kreeg weer Rivotril, later heeft mijn huisarts fikse ruzie met het ziekenhuis gehad, omdat hij dat medicijn wilde stoppen. Het is een prima antipaniekmiddel, maar ik vergat steeds meer, het was erg slecht voor mijn geheugen. Toen ik uit het ziekenhuis kwam, heeft mijn huisarts mij verboden dat middel te gebruiken. Na lange tijd zijn de juiste medicijnen gevonden. Omdat ik stemmingsstoornissen heb, kreeg ik en gebruik ik een echt paardenmiddel. Natriumvalproaat chrono 500, 3 tabletten in 1 keer, beter bekend als Depakine, een middel voor epilepsie patiënten, met een werking die ook stemmingsstoornissen remt. Zodat er geen grote pieken en dalen zijn. Verder bleek dat Mirtazapine 85 mg goed voor mij was. Het is na een paar jaar naar 45 mg teruggebracht en sinds kort gebruik ik een ander middel, omdat ik een paar maanden geleden een zware terugslag heb gekregen, na dat mensen mij wilden oplichten. Ik stortte in en heb nu een nieuw medicijn alprazolam 3x daags 5 mg, maar ook dit middel organiseert een soort korte termijntermijngeheugenverlies, dus dit middel kan ik niet te lang gebruiken. Het helpt wel erg goed om rustig te blijven en tegen paniekaanvallen. Voorlopig heb ik er baat bij. Op de PAAZ mocht je geleidelijk aan af en toe uit de gesloten ruimte naar de hal van het ziekenhuis. Ik ging dus naar de hal, lekker in het restaurant rondlopen, al de dames daar kenden mij, want ik kwam elke dag bij ze iets lekkers eten en rondhangen in de winkel. Er was ook een kapper in het ziekenhuis. En verder in de behandeling moest ik leren weer naar buiten te gaan, dus op straat, wel met verpleegkundigen. Maar ik wilde dit niet. Ik was als de dood, zo bang voor de straat en mensen. De verpleegkundige nam ons mee naar de Albert Heijn, ze bleef bij ons en ging steeds vaker in een andere gang staan, maar ik raakte dan zo in paniek. We zijn er mee gestopt, omdat bleek dat ik agorafobie (pleinvrees) had. Later mocht ik onder begeleiding een dag naar huis, daarna een weekend, ook onder begeleiding. Toen na lang onderzoek was de diagnose gesteld, er moest een familiegesprek komen, de familie moest ingelicht worden en er waren vragen die alleen de familie kon beantwoorden. Veel familieleden kwamen, alle ooms en tantes, ook van mijn biologische vaderskant. Ik mocht niet bij het eerste gedeelte van het gesprek aanwezig zijn, wel toen ze de diagnose gingen vertellen. Er zaten 3 psychiaters en 2 verpleegkundigen en volgens mij ook de therapeuten, ik weet het niet zo goed meer. Wat ze met mijn familie besproken hebben, weet ik niet. Toen ik erbij mocht komen en de diagnose werd verteld, brak de bom los. Het werd een grote ruzie, ik zat erbij en ik keek ernaar en volgens mij ook de psychiaters. Niet de diagnose was het ruziepunt, nee, de psychiaters stelden heel stellig dat ik erfelijk belast was, dus dat wat ik had erfelijk was. Oei oei, de familie van mijn biologische vader begon de familie van mijn moeder de schuld van alles te geven, ze hadden op sommige punten gelijk, maar de familie van mijn moeder bleef hardnekkig ontkennen dat er een erfelijke component was. Mijn psychiaters hadden er genoeg van en ook mijn ex-man Arnold. Hij heeft de hele familie stevig op hun donder gegeven en de psychiaters zeiden dat ze zo niet verder komen. Wij moeten bepaalde zaken weten om een goede behandeling te kunnen geven. Toen hoorde ik mijn familiegeschiedenis op psychisch vlak voor het eerst, door mijn twee ooms. Zij zijn altijd de twee ooms geweest die mij altijd mijn hele leven hebben beschermd, oom Bharat en oom Louis. Zij vertelden alles. Het hele verhaal van mijn nani en alle anderen die rechtstreeks van mijn nani afstamden, zoals over mijn lieve tante Willy. Toen keerde de rust terug en kon ik verder worden behandeld. Ik ben mijn oom Bharat en oom Louis voor eeuwig dankbaar dat zij eerlijk waren, zo is mijn behandeling naar een ‘beter’ leven begonnen. En konden andere neefjes en nichtjes die 4e generatie, degenen die het onder ogen durfden te zien, ook behandeld worden. Helaas bleef het een taboe in mijn familie, en zouden velen behandeld moeten worden, maar stoppen ze hun kop in het zand, want zij zijn niet ziek, ik was ‘gek’. Wat mij toch blijft bezighouden, hoe deze ziekte zich zo voortwoekert tot in de vijfde generatie en ook op zeer jonge leeftijd bij mijn kleine neefjes en nichtjes. Ik wilde dat mijn familie er echt open over zou kunnen praten zodat een behandeling mogelijk is. Mij helpt het wel om binnen de gegeven omstandigheden een ‘menswaardig’ leven op te bouwen. Na al die maanden, na mijn eerste opname, moest ik naar huis. Ik wilde niet, wilde daar altijd blijven. Ze lieten me nog 2 weken blijven, maar ik moest toch weg. Tranen met tuiten heb ik gehuild, zo bang was ik voor de wereld daar buiten”.

(41)

De BOPZ praktijk (psychiatrisch patiEnten- recht)

Toen ik meer dan 10 jaar geleden psychiatrisch patiënten-recht wilde gaan doen, was mijn moeder hier niet zo blij mee. Mijn vader was in Suriname verwond door, zoals wij dat tegenwoordig in Nederland een ‘verward persoon’ noemen, toen hij bij Theater Bellevue aan de Domineestraat te Paramaribo op iemand wachtte. De film was net afgelopen toen een stel kwajongens een op dat moment passerend verwarde persoon, die zij kennelijk van straat kenden plaagden. Deze verwarde man pakte een dikke plank die op straat lag, zwaaide ermee en raakte mijn vaders hoofd met een spijker die in de plank zat. Mijn vaders schedel barstte hierdoor. Zijn zenuw was net niet geraakt, anders was hij ter plekke overleden. Jullie begrijpen dat ons leven vanaf dat moment overhoop lag. Dit incident heeft een enorme impact gehad op het leven van mijn ouders. Ze hebben om gezondheidsredenen van mijn vader in combinatie met de politieke situatie in 1979 in Suriname besloten naar Nederland te komen. Ik vond het daarom begrijpelijk dat mijn moeder het niet veilig vond dat ik psychiatrisch-patiënten recht ging doen. Het is inderdaad niet altijd veilig, omdat een psychotisch persoon ook weleens agressief kan zijn. Twee jaar geleden heeft een psychotisch persoon bij een huisbezoek anderhalve vinger met een kapmes afgehakt van een Haagse rechter toen zij haar uitspraak deed en waar hij het niet mee eens was. Sindsdien zijn er diverse veiligheidsmaatregelen getroffen voor dergelijke zittingen.

In Suriname heerst er een taboe op mensen met een psychiatrisch achtergrond, terwijl dit in Nederland anders is. Psychiatrie is in Nederland een volwaardig medisch vak en wordt een psychiatrische aandoening als een aandoening beschouwd dat onder controle gehouden kan worden door behandeling met de juiste medicatie, terwijl dit in sommige culturen omhuld wordt met bovennatuurlijke zaken en men niet weet om te gaan met psychiatrische patiënten. In sommige niet -Westerse culturen worden stemmen in een hoofd gezien als bezetenheid door een geest van een familielid of God die via deze persoon praat. Ooit had ik een Oegandese cliënt die aan schizofrenie leed. De rechter had na het pleidooi van de psychiater beslist dat deze man gedwongen behandeld moest worden in een gesloten instelling. De Oegandese tolk die bij deze zaak had vertaald zei na afloop van de zitting tegen mij dat ik eerst met hem (de tolk) had moeten praten -wat niet gebruikelijk is-, want dan had hij mij kunnen uitleggen dat deze schizofrene man niet in een gesloten instelling gedwongen met medicatie behandeld moest worden, maar dat hij naar een traditionele genezer moest die met de bezeten geest zou kunnen praten en deze zou kunnen uitdrijven door rituelen uit te voeren die nodig waren, want misschien waren bepaalde rituelen van een overleden familielid niet goed uitgevoerd. Ik vermoed dat als ik dit aan de rechter had verteld dat deze hieraan geheel voorbij was gegaan.

Het is bekend dat wanneer één van je ouders een psychische aandoening heeft de kans dat je dit ook krijgt, gemiddeld 1 tot 10 keer groter is dan bij anderen. Je hebt meer kans op een psychische aandoening, als meer familieleden dezelfde aandoening hebben. Ook (traumatische) omstandigheden kunnen een trigger zijn voor de ontwikkeling van een psychische stoornis. Mijn stelling is dan ook dat iedereen met een psychische aandoening te maken zou kunnen krijgen. Dit heb ik mogen ervaren met een collega-advocaat van mij. Deze collega was een oudere man die ik een paar maanden voor hij ernstig hersenletsel kreeg door een harde val, had gesproken over de ruil van een strafpiket. De vitale delen van zijn hersenen functioneerden niet meer, waardoor hij ook wilsonbekwaam was geworden. Hij kon geen beslissingen meer nemen over zijn eigen zorg en gezondheid.

In de Surinaamse geschiedenis kennen wij een aantal bekenden die aan een psychische stoornis lijden of geleden hebben. Zo vertelde Michiel van Kempen mij in vertrouwen dat hij het jammer vond dat een aantal talentvolle schrijfsters last hebben van een psychische stoornis waardoor ze niet toekwamen aan het schrijven van nieuwe boeken. Eén van de bekende schrijvers die we kennen als TV-presentator was Anil Ramdas die zichzelf gesuïcideerd heeft. Hij had een belaste psychiatrische familiegeschiedenis waar je niets over hoort. Dit zegt wel wat over hoe groot het taboe is. Ook Tara Oedayrai Singh Varma heeft een belaste psychiatrische familiegeschiedenis. In mijn volgende blogs wil ik de casus van Tara bespreken en bekijken hoe de ontwikkeling van haar bipolaire stoornis heeft plaatsgevonden. Het doel hiervan is het taboe dat heerst op personen met een psychiatrische achtergrond te doorbreken. Ik hoop hiermee meer begrip te kweken voor psychiatrische patiënten en inzicht te geven in hoe een psychiatrisch patiënt de ziekte zelf ervaart. Ook hoop ik dat mensen veel sneller hulp zullen zoeken of aan hun naasten adviseren om serieus hulp te zoeken als blijkt dat ze depressief zijn, raar doen of suïcidaal zijn. And last but not least hoop ik dat er meer begrip komt voor wat Tara is overkomen, door haar handelwijze in het perspectief van haar ziekte te plaatsen. Ja, ze was gek. Maar weet jij wel hoe het dan werkt in je brein?

(18)

De Haagse Emancipatie Ambassadeurs

De Haagse Emancipatie Ambassadeurs

Met de gasten aan tafel wordt vandaag o.a. de stand van zaken besproken over emancipatie. Maar wat is emancipatie? Kun je emancipatie meten en waarom zou je moeten emanciperen?

Volgens Wikipedia is emancipatie, dat van  het Latijnse woord emancipatio afstamt het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde positie. Dit kan via gelijkgerechtigdheid, zelfstandigheid of de formele toekenning van gelijke rechten door gelijkstelling voor de wet. Voorbeelden zijn vrouwenemancipatie, mannenemancipatie en de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s).  Emancipatie gaat altijd via drie principes, die elkaar aanvullen en opvolgen: Wetenschappelijke erkenning, sociale acceptatie en wettelijke gelijkheid.

Of je emancipatie kunt meten is een lastige vraag. Emancipatie is vooral een lange termijn kwestie. Je moet daarom veel geduld hebben. De Haagse Emancipatie Ambassadeurs weten hier alles van. Ze gaan steeds op pad om mensen via projecten met elkaar te verbinden en te versterken.  Ze weten als geen ander dat er nog veel te doen valt. De mannenemancipatie staat nog in de kinderschoenen en de rol van mannen binnen de mantelzorg is nog steeds minimaal met het kwalijke gevolg dat de lasten van de participatiesamenleving met name op de schouders van vrouwen terechtkomt. In bepaalde gemeenschappen blijkt homoseksualiteit niet acceptabel en zijn transgenders uit den boze. Huiselijk geweld blijkt een onuitroeibaar probleem te zijn waar de politie geen raad mee weet. Toch is er ook een lichtpuntje. De vrouwenemancipatie zit flink in de lift. Veel vrouwen hebben tegenwoordig een betaalde baan, althans witte vrouwen. Ja, dat benoem ik toch maar even zo. De niet Westerse niet blanke vrouw heeft het een stuk moeilijker op de arbeidsmarkt dan haar witte zuster. Dat komt niet alleen door discriminatie op de arbeidsmarkt en voor een deel door haar tekort schietende opleiding, maar ook omdat in haar eigen gemeenschap de vrouwenemancipatie achterloopt. Echter, de emancipatie van de witte vrouw blijkt voltooid te zijn, althans die conclusie trek ik uit een artikel van het AD van woensdag 25 januari j.l., waarin de sociaal pedagoog Gitty Fedderma verteld dat we steeds meer hufterige kinderen krijgen, omdat vaders en moeders al hun energie storten op hun werk, carrière en het betalen van hypotheek, vakanties en spullen en geen tijd hebben om in hun kinderen te investeren. Gitty Fedderma stelt voor dat vaders en moeders in de eerste vier jaar beiden hun werkzaamheden zó terugbrengen dat ze geen zorg van buitenaf meer nodig hebben. Je zou bijna denken dat ze weer terug wilt naar de jaren 50. Daarover zegt ze dat vaders en moeders het samen moeten doen. Je kunt dus concluderen dat de vrouwenemancipatie van de witte vrouw voltooid is, maar dat de mannenemancipatie behoorlijk achterloopt. Het merendeel van de mannen ziet zich nog steeds niet achter het aanrecht of de kinderwagen. Daarom pleit ik er voor dat de Haagse Emancipatie Ambassadeurs ook deze ogenschijnlijk moderne en ambitieuze echtparen helpt bij het opvoeden van hun kinderen, zodat we in de toekomst minder hufterige burgers krijgen die in een psychisch knoop liggen en die weer op hun beurt door intergenerationele overdracht hufterige kinderen op de wereld zet. Zo zie je maar dat de taak en het werk van onze Haagse Emancipatie Ambassadeurs van een niet te onderschatten waarde is voor onze samenleving.

(22)

Mijn leven in drijfzand

In dit blog bespreek ik het boek “Mijn leven in drijfzand” van de auteur Radjesh. Het boek betreft een autobiografie van de schrijver over zijn leven als Hindoestaanse homoseksueel. Homoseksualiteit is een taboe onderwerp in heel veel gemeenschappen. Ook in de Nederlandse gemeenschap blijkt dit nog steeds een moeilijk onderwerp te zijn getuige het feit dat men moeizaam uit de kast komt. Zo speculeren velen dat premier Rutte homoseksueel is en volgens mijn homoseksuele vrienden kunnen zij zien wie gay is en zijn zij ervan overtuigd dat Rutte wel homoseksueel is. Echter, uit de kast komen kan grote consequenties hebben voor zijn carrière, m.n. op internationaal niveau. Zo zie je maar welk taboe er rust op homoseksualiteit.

Het boek is door de auteur niet geschreven vanuit de behoefte om zijn verhaal te vertellen, maar meer vanuit de behoefte om zijn ervaringen te verwerken. Radjesh is zelf nog veel te bang om in de openbaarheid te treden met zijn verhaal, maar hoopt dat hij met dit boek meer begrip kan krijgen voor homoseksualiteit. Aan het taalgebruik in het boek moest ik even wennen. In het boek komen heel veel extreme gevoelens voor. Vooral de haat naar de eigen broers, moeder, en stiefvader en zijn moslimfamilie domineert. De wijze waarop Radjesh deze gevoelens beschrijft is uitzonderlijk.

In het boek vraagt Radjesh zich af waarom hij een abnormale jeugd heeft gehad. Een leven zonder liefde van zijn ouders. Een moeder die niet van hem heeft gehouden en hem niet heeft beschermd, ook al bleek hij homoseksueel te zijn. Waarom hebben zijn broers hem met messen bewerkt en waarom hebben ze hem willen prostitueren? Waarom hebben de Nederlandse hulpverleners hem niet geholpen toen hij heel hard hulp nodig had? Deze vragen zijn heel indringend, maar het antwoord is simpel. Hoewel de tijdsgeest enigszins is veranderd wordt in een vrij land als Nederland homoseksualiteit nog steeds als ziekte gezien. Er wordt zelfs gedacht dat het besmettelijk zou kunnen zijn en mensen maken het voor duivels uit. Velen begrijpen niet dat dit een seksuele geaardheid is waarmee men geboren wordt. Ook de moeder en stiefvader van Radjesh dachten dat de homoseksualiteit van Radjesh een ziekte was en duivels was wat uitgedreven moest worden en brachten hem naar een voodoo man die de ziekte en de duivel moest uitdrijven. Echter, toen deze voodoo man erachter kwam waarom zijn moeder Radjesh naar hem had gebracht werd deze heel boos en zei dat dit geen ziekte was en zei tegen Radjesh dat het wel goed zou komen. De voodoo man had gelijk. Het kwam goed, maar niet nadat Radjesh de meest vreselijke avonturen in zijn leven had beleefd.

Het leven van Radjesh veranderde drastisch toen zijn biologische vader overleed. Zijn ouders hadden een relatie vol geweld, drank en drugs gehad. Op z’n zevende jaar vertrok zijn moeder naar Nederland zonder Radjesh hier iets over te vertellen. Pas op Zanderij ontdekte deze joch van 7 jaar dat zijn moeder naar Nederland vertrok. Hij bleef met twee broers in Suriname achter. Maar vanaf dat moment had Radjesh een zwervend en onregelmatig bestaan. Een leven zonder affectie van zijn familie. Hij werd flink mishandeld door zijn twee oudere broers. Hij ontdekte ook toen op jonge leeftijd, hij was toen 8 jaar, zijn homoseksualiteit. Hij kreeg met een oudere jongen een seksuele relatie. Wij noemen dit pedofilie, maar Radjesh ziet dit anders. Hij had behoefte aan liefde en warmte en op deze manier kreeg hij van deze jongen deze liefde en warmte. Op dat moment wist Radjesh niet eens wat homoseksualiteit was. Deze relatie werd abrupt verbroken toen hij naar Nederland moest vertrekken om zich met zijn moeder en de nieuwe man van zijn moeder te verenigen. Hier kreeg hij vooral te maken met het Islamitische geloof van zijn stiefvader wat hij ervoer als een onrechtvaardig geloof. Hij mocht geen tv meer kijken, mocht niet naar liedjes van Lata Mangeshkar luisteren, omdat ze Hindoe is, terwijl zijn moeder en stiefvader wel een Duitse softpornoserie op tv volgden. Maar ook zij hielden op met tv kijken toen ze een pelgrimstocht naar Mekka hadden gemaakt. Volgens Radjesh kent de Islam alleen maar verplichtingen en is dit een godvrezend geloof, terwijl hij als Hindoe geborene dit niet kende. Al vroeg in zijn jeugd begon Radjesh de Islam te hekelen.

Ondertussen heeft Radjesh diverse seksuele escapades met jongens die wat ouder zijn dan hem. In al zijn naïviteit verteld hij bij het eten aan tafel dat hij homoseksueel is . Hierna breekt de hel los. Zijn moeder slaat hem met de Koran op het hoofd, om zo in een poging de ziekte en de duivel uit te drijven uit Radjesh. Hij wordt voortdurend door zijn moeder en broers geslagen en gescholden. Zijn moeder brengt hem zelfs naar een voodoo man om hem te genezen. Helaas voor haar helpt dit niet. Radjesh probeert via zijn mentor op school hulp te krijgen, maar dit mislukt. Radjesh wordt bewerkt met een mes door zijn broer en wordt genoodzaakt opgenomen in het ziekenhuis waar hij voor observatie moet blijven. Radjesh heeft dan al zoveel mishandeling meegemaakt en geen hulp gekregen en vertrouwt daarom de artsen in het ziekenhuis niet en loopt weg. Het ziekenhuis geeft hem als vermist op. Radjesh slaapt op straat en wordt snel door de politie in de kraag gevat. Hij wordt naar de gevangenis gebracht waar hij zijn verjaardag voor het eerst viert. De politie draagt hem in goed vertrouwen over aan de Kinderbescherming. Maar helaas krijgt hij van de homofobe maatschappelijk werker geen hulp. Ook van het Leger des Heils krijgt hij geen slaapplek vanwege hun homofobie. Hierna begint Radjesh een zwervend bestaan en beland in de prostitutie. Niet omdat hij bewust hiervoor gekozen had, maar dit ging per toeval toen een oude Marokkaanse man hem voor een vluggertje meenam en hem hiervoor betaalde. Radjesh vertelt in zijn boek over de vele Marokkaanse jongens die hij als seksuele partner heeft gehad. Dit geeft ons ook een inkijk in de beleving van seksualiteit van Marokkaanse jongens. Volgens Radjesh zijn Marokkaanse mannen oversekst.

Gelukkig voor Radjesh komt hij maatschappelijk werkers van Humanitas tegen die hem aanbieden uit de prostitutie te stappen en een “normaal” leven te gaan leiden. Hij neemt hun hulp aan en komt dan weer terug in een “stabiel” leven. Maar toen begon de ellende pas. Hij wist toen nog niet, dat een mens ook kapot kan gaan aan een verleden dat je achtervolgt. Hij was in drijfzand opgegroeid, in ellende waarin hij zichzelf als kind staande moest houden. In een verzorgingsstaat die hem niet verzorgde, maar nog dieper in drijfzand trok. En toen hij dacht dat hij eruit was geklommen, bleken zijn herinneringen zijn nieuwe drijfzand.

Opvallend in dit verhaal is dat Radjesh geen affectie van zijn moeder en broers heeft gekregen. Ondanks het feit dat Radjesh vreselijk is mishandeld door zijn familie en een miserabel leven op straat heeft gehad en door god en mensen verlaten was heeft hij nooit een suïcide poging gewaagd, hoewel hij er misschien wel aan gedacht heeft. Dit getuigd van een sterke persoonlijkheid.

Het boek is te verkrijgen bij uitgeverij Stili Novi en te bestellen via de webshop http://stilinovi.nl/shop/mijn-leven-in-drijfzand/.

Verder zal het boek op 24 februari a.s. gepresenteerd worden in buurthuis Boerenplein aan de Mandelaplein 1 en kunt u zich aanmelden voor de presentatie via stichtinghindustani@gmail.com. Ook dan zullen de boeken te koop worden aangeboden.

(34)